Description
Dit boek is voor eenieder die te maken heeft met kinderen met ontwikkelings- en andere psychiatrische en neurologische stoornissen en met belangstelling voor gedragsneurologische en neuropsychologische achterliggende mechanismen, inbegrepen de omgevingsinvloeden hierop.
Je treft in dit boek zes uitgangspunten aan waar expliciet en tussen de regels door steeds van wordt uitgegaan:
Uitgangspunten
1. Onze neurale (over)levingskernen zijn evolutionair oude hersenstamstructuren, het neurale correlaat van de primaire emotiesystemen die
Freud Triebe (drijfveren) en bij elkaar het onbewuste Id noemde. Het Id
staat vanaf de geboorte levenslang aan de basis van de ontwikkelende
geest. Motoriek en taal zijn geëvolueerd door anatomische veranderingen
van mondgebied en handen alsmede door de veranderde neurale en genetisch controle ervan, en zijn abstracte instrumenten van de geest geworden [h 3, h 5 en h 6].
2. Het neodarwinisme weerspreekt het klassieke en nativistische standpunt
van Plato dat alles vastligt. Het neodarwinistische standpunt gaat uit van
het ontstaan van vrijwel alle levensvormen in een evolutionaire tijdsdimensie en stelt dat die vormen variabiliteit kennen om te kunnen evolueren. Dat proces herhaalt zich deels en snel in de ontogenese, het evo-devo-principe (evolution-development) genoemd [h 1.4].
3. Wij zijn met andere gewervelden en vooral zoogdieren groepswezens.
Optimaal groepsgedrag is sterk afhankelijk van taal, handelingen en
daaraan gerelateerde sociale vaardigheden, instrumenten die ons in staat
stellen in het dagelijks leven met soortgenoten te (over)leven.
Stoornissen in dit instrumentele gebruik maken de mens meer tot een
gehandicapte naarmate de omgeving niet weet wat een handicap inhoudelijk, sociaal en persoonlijk betekent voor degene die ermee is behept,
en dit verergert naarmate deze er niet voor wordt behandeld [h 7 en h 8].
4. Handelingen en taal hangen zowel evolutionair als in de fylogenese en in
de ontogenese van het kind samen, hetgeen consequenties heeft voor de
opvoeding, de didactiek en de behandeling van stoornissen [h 6].
5. Handelingen en taal uiten zich lichamelijk in het bewegende hoofd, de
mond, romp en ledematen, vooral de handen. Deze functies zijn fylogenetisch steeds abstracter geworden, hetgeen zich in de ontogenese herhaalt [h 4 en h 5]. Wanneer deze instrumenten disfunctioneel ontwikkelen,
maakt de geest rare sprongen en raakt ontstemd (Van Fenema, 2018); de volwassene bereikt geen homeostase maar grows into deficit [h 9.4].
6. Alle gedrag – handelingen, taal, sociale vaardigheden, kunst, muziek,
enz. als instrumenten van de geest en het bewustzijn ervan – behoort tot
epigenetica ‘onder de motorkap’ van de fenomenologie. Hoewel auto’s
kunnen veranderen van structuur passen ze zich niet zelf aan een veranderende omgeving aan. De brein-lichaameenheid wel, die functioneert als
een op geheugen gebaseerde voorspellingsmachine (Friston).

